Sint-Ursula-Instituut

secundair onderwijs
ASO - BSO - TSO

 
U bevindt zich hier: Home > Kennismaking > Geschiedenis > Interbellum

Interbellum

De heropbouw van het Waverse Ursulinenklooster gaat vanaf dat ogenblik ongehinderd verder. Met behulp van de oorlogsschadevergoedingen kunnen de gebouwen in luister herrijzen. Voor de enorme bouwactiviteiten, die enkele jaren in beslag zullen nemen, wordt op vraag van aannemer Van Pottelberg een speciaal Decauvillespoor aangelegd van het klooster tot aan het tramspoor, in gebruik vanaf 1 december 1919.

Bij de terugkeer van de zusters uit Engeland in maart 1919 wordt de cryptezaal, die tijdelijk dienst deed als parochiekerk, voor hen ontruimd. Van dan af en tot de voltooiing van de heropbouw van de parochiekerk gaan de parochiale zondagsvieringen door in de meisjesschool, die hiervoor aangepast wordt. De lessen van de Lagere Meisjesschool dienen daarom door te gaan in de lokalen van de Bewaarschool en in een barak van het Albertfonds. Een nieuwe omzendbrief geeft te kennen dat de school zoals voorheen functioneert en op 5 mei 1919 komen de eerste pensionaires toe: het zijn er eerst maar een 40-tal.

Bij de start van het nieuwe schooljaar 1919-1920 is de situatie zo goed als genormaliseerd, met reeds 330 internen die hoofdzakelijk in het ondertussen afgewerkte Sint-Michielsgebouw zijn ondergebracht. Ook de Normaalschool - vanuit Mechelen, naar Onze-Lieve-Vrouw-Waver teruggebracht - vindt een tijdelijk onderkomen op het gelijkvloers van dit gebouw. Het 5de facultatieve jaar, dat vanaf 1910 bestond in de lokalen van de Lagere en Middelbare Normaalschool, wordt met de steun van de heer De Vuyst van het Ministerie van Landbouw, die de hervatting van deze cursus stimuleert, en van lesgever E.H. Van Olmen, bestuurder van de Boerinnenbond, heringericht en erkend. Geleidelijk wordt daarvoor de nodige infrastructuur - grotendeels vernield door de oorlogshandelingen - opnieuw opgebouwd: de keuken wordt heringericht en men beschikt naast de vernieuwde aanschouwingsmiddelen ook over een bibliotheek, een huisapotheek, een melkerij, een botanische tuin, een proeftuin, een moestuin en een boomgaard.

Mère Félicité Van Assche en Mère Dominique de Creeft zetten intussen hun academische studiën aan de Leuvense universiteit voort. Zij zijn er de eerste studentinnen- religieuzen en later ook de eerste kloosterzusters die er tot doctor promoveren. Vele Waverse Ursulinen zullen hun voorbeeld volgen, wat uiteraard aan het onderwijspeil van de verschillende afdelingen ten goede zal komen.

De heropbouw vordert ondertussen vrij goed, zodat op 28 augustus 1920 de zusters hun nieuwe cellen kunnen betrekken.

In 1921 wordt de vernieuwde - en verplaatste - pianogalerij opnieuw in gebruik genomen. Deze ingreep was noodzakelijk geworden omdat men bij de herstelling van de vernielde gebouwen beslist had de wintertuin te keren. Door de constructie in het gebouwencomplex - tussen twee vleugels in - te integreren hoopte men de nodige bescherming te bieden aan deze kwetsbare 'ijzer en glas'-structuur. Juist omwille van deze kenmerken - een ijzeren karkas opgevuld met prachtig geëtst glas en kleurrijk glas in lood - was deze operatie technisch mogelijk.

In oktober 1921 zijn de gebouwen van de Normaalschool klaar terwijl de gebouwen van de spreekkamers al onder dak staan. Ze kunnen op 28 september 1922 - zij het nog zonder bemeubeling - worden ingehuldigd.

De decoratie en de afwerking van de gebouwen gaat in de loop van de volgende jaren onverminderd door: zo plaatst men op 21 november 1921 het gerestaureerde Sint-Ceciliabeeld opnieuw in de pianogalerij; de Madonna aan de eretrap, een marmeren Mariabeeld door Baudouin Tuerlinckx gebeeldhouwd en ter gelegenheid van het 25-jarig superioritaat van Eerwaarde Moeder Albertine Van Genechten haar door de leerlingen aangeboden, wordt op 25 november 1923 ingezegend.

Ondertussen was in 1920 door de Staat te Laken-Nossegem een school voor Hoger Landbouw-Huishoudonderwijs opgericht, waar het mogelijk wordt een diploma van Landbouw-huishoudkundig regentes te behalen en was op 20 augustus 1920 het leerplan voor de 4de graad van het Lager Onderwijs verschenen.

Vanuit het Ministerie van Landbouw, het Provinciebestuur en de Boerenbond wordt verder getracht de landbouwafdelingen van de lagere graad, voor meisjes ouder dan 14 jaar, vanaf 1923-24 uit te breiden. Eén van de middelen daartoe is uiteraard het stimuleren van de leerkrachtenopleiding. Te Onze-Lieve-Vrouw-Waver, waar men al deze ontwikkelingen met belangstelling volgt, wordt hiervoor vanaf 1922 gepleit door E.H. Van Olmen.

Vanaf 1924-25 gaat men in het Instituut dan ook van start met een Vrije Hoogere Normaalschool voor Landbouwhuishoudkundig Onderwijs, een zelfstandige normaalschool waar men aan onderwijzeressen en regentessen een gespecialiseerde opleiding voor het onderwijs in de landelijke huishoudkunde wil bieden en waar men bovendien jonge meisjes uit de leidende kringen van het platteland op hun toekomstige rol wil voorbereiden.

Hiervoor richt men tussen de modelhoeve, de tuin en het park in 1923 een speciaal paviljoen in: het Academie-gebouwtje, met onderaan waslokalen, een schrijnwerkerij en stallingen en op de verdieping een leslokaal voor toegepaste kunst wordt daarvoor verbouwd. Het elegante torentje dat eraan wordt toegevoegd en het gebouw een cottage-achtig uitzicht geeft, zorgt vermoedelijk voor de nieuwe naam: Villa.

In juli 1923 begint men aan de reeds lang noodzakelijk geworden verbouwing van de Lagere Meisjesschool, annex Kleuterschool, naar plannen van provinciaal bouwmeester Careels. Pas op het einde van het schooljaar 1924-1925 zijn de werken voltooid. Naast de klasruimten is er onder meer een aparte turnzaal en een ruimte voor geneeskundig onderzoek voorzien. Hier wordt ook de gemeentelijke bibliotheek ondergebracht.

Bij het begin van het schooljaar 1923-1924 nadert het leerlingenaantal 800 internen. Gelukkig is nu ook het Heilig Hartgebouw nagenoeg klaar, wat toelaat de verschillende secties van het pensionaat optimaal in te richten.

Alle gebouwen - bij de heropbouw eerst uitgerust met gewone platte daken - worden geleidelijk voorzien van zadeldaken. Men versiert verder de kerkgaanderij met een groot Zwitsers landschap en met kleinere taferelen van bekende plaatsen in Palestina en richt de Empiregang in. Door de aankoop op 24 juli 1924 van ruim 24,25 are grond ten zuidwesten van het muziekkwartier - met name Peerkenshof - is nieuwe uitbreiding mogelijk. De feest- en recreatiezaal Sint-Cecilia wordt er ingehuldigd op 21 juni 1925. Door het tot stand komen van deze uitbreiding verliest de serre haar gunstige positie en dient ze naar het zuidoosten verplaatst te worden.

In oktober 1924 zijn er in de Normaalschool voor het eerst meer dan 300 leerlingen ingeschreven wat opnieuw tot plaatsgebrek leidt. Gelukkig is de nieuwe slaapzaal Sint-Ignatius, met 70 chambretten klaar. Om deze slaapzaal met het Heilig-Hartgebouw te verbinden bouwt men over het dak van de achterkapel een sierlijke houten galerij. Andere verwezenlijkingen uit deze periode zijn de decoratie van de pianogalerij, met naast de muurschilderingen ook de bouw van een nis voor het gerestaureerde Sint-Ceciliabeeld, en de verbinding van deze galerij met de Sint-Ceciliazaal. Het - nu verkleinde - oratorium is in 1925 volledig hersteld, geschilderd en bemeubeld met neogotische koorbanken. Het wordt ingehuldigd op 25 maart, feest van Maria-Boodschap.

De vroegere zijbeuken zijn aparte ruimten geworden en de achterkapel is tot schoolmuseum omgevormd.

Ook de kloosterkerk wordt verder verfraaid: het Ursulabeeld door Bruno Gerrits wordt eind januari 1924 onder het hoofdaltaar geplaatst en tijdens de vasten 1925 wordt de witstenen kruisweg, eveneens van de hand van Bruno Gerrits, aangebracht. De kruiswegtaferelen op doek, van de hand van Jan Baptist Walgrave, worden aan de eretrap geplaatst.

Op 2 juli 1925 komt kardinaal Mercier het vormsel toedienen aan de jonge leerlingen en tegelijkertijd zegent hij de lokalen van communauteit, normaalschool en pensionaat in. Vanaf januari 1926 tot maart 1928 zijn er onderhandelingen over de erkenning van de in 1905 opgerichte Beroeps- en Handelsafdeling van de Vrije Meisjesvakschool; hinderpaal daarbij is onder meer het al dan niet als leerling aanvaarden van externen. De erkenning wordt uiteindelijk verleend op 1 mei 1928, met terugwerkende kracht tot 1925-1926.

Deze meisjesvakschool bestaat uit een Handelsafdeling en een Beroepsafdeling. In de buurt van de hoeve is de stijlvolle constructie in cottage-stijl, bedoeld om de leerlingen van de Hogere Landbouwhuishoudschool te herbergen in oktober 1926 voltooid. Na inspectie van deze nieuwe gebouwen, volgt ook hier de officiële erkenning door de staat. Het is - na Laken en Berlaar - de 3de van die aard in België. Opvallend is vooral dat er veel buitenlandse studentinnen - waaronder heel wat ten gevolge van de Russische revolutie gevluchte adellijken - uit Polen, Litouwen en Roemenië, maar ook uit Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Nederland en zelfs uit Turkije, Panama en Brazilië ingeschreven worden.

In de jaren '30 verruimt men in de Kleuterschool de froebelmethode met elementen uit de methodes van Maria Montessori en van Dr. Ovide Decroly, terwijl men in de Lagere School de invloed van de proefondervindelijke pedagogiek, i.e. van de vrije doeschool onderging. In het pensionaat blijft de leerlingenopkomst bevredigend ondanks de economische crisis.

Op het wettelijke vlak worden verschillende ingrijpende maatregelen van kracht. Zo geldt, door de bekrachtiging van een taalwet op 14 juli 1932, als principe dat in het kleuter-, lager en middelbaar onderwijs de voertaal dezelfde moet zijn als die van het taalgebied. Er zijn echter ook faciliteiten voorzien. Het Instituut voldoet hieraan gezien er sinds lang een Vlaamse naast een Waalse C5 afdeling bestaat.

Op 11 maart 1933 krijgt het technisch onderwijs, dat wegens de economische crisis aan belang wint, eindelijk een statuut. Regelingen daarvoor worden in een organiek besluit van 10 juli 1933 gegeven. Ook worden de bepalingen uit 1932 over de voertaal in lager en middelbaar onderwijs eveneens van toepassing. In de Handels- en Beroepsafdeling richt men daarom een vernieuwd inrichtend comité op en dient men een aanvraag in tot erkenning van de Franstalige afdelingen.

Omdat er in 1934 onduidelijkheid bestaat over het voortbestaan van de in 1898 opgerichte Tijdelijke Staatsleergangen voor Huishoudonderwijs, besluit men de verder evolutie niet af te wachten en over te gaan tot de oprichting van een Hogere Normaalschool voor Huishoudkundig Onderwijs. Om dit mogelijk te maken wordt de Landbouw-Huishoudnormaalschool afgebouwd en omgevormd tot een Hogere Normaalschool voor Huishoudkundig Onderwijs, eveneens met driejarige opleiding.

Na tal van besprekingen in oktober en november 1935, wordt deze in juni 1936 erkend als vakschool van de middelbare graad met normaalafdeling. Deze omvorming, blijkt succesrijk. Er zijn dan ook al snel plannen tot uitbreiding van de gebouwen. Zo wordt de villa (of paviljoen der Onbevlekte Ontvangenis) - reeds een eerste maal vergroot in 1928 - voorzien van grote keukens, was-, strijk- en naaiplaatsen. Op 8 december 1939 worden de - door de Aalsterse architect en kunstschrijnwerker Alfred Van Den Eynde - aangepaste en vernieuwde gebouwen door vicaris-generaal Van Eynde ingezegend.

Ondertussen overleed op 21 maart 1935 algemeen overste mère Albertine Van Genechten, die veel deed voor de pedagogische opleiding van de leden van haar zustergemeenschap en die de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog stimuleerde. Zij wordt op 6 mei 1935 opgevolgd door mère Geneviève Wolfcarius. Onder haar impuls zal het Instituut verder uitgebreid worden tot een bloeiend centrum van levende, Katholieke cultuur: zij zorgt onder meer voor de moderne uitrusting van de laboratoria voor de wetenschappelijke vakken en laat een centrale bibliotheek inrichten ten behoeve van de leraressen en leerlingen.

In 1936 worden de verschillende gebouwen door een intern telefoonnet met elkaar verbonden en schaft men zich voor het eerst brandblusapparaten aan.

Ook aan verfraaiing wordt gedacht: op 3 december 1936 vindt de wijding van drie koperen zijaltaren - opgedragen aan het Heilig Hart van Jezus, aan Onze Lieve Vrouw en aan Sint Jozef - in de kloosterkerk plaats en op Kerstmis 1937 wordt de monumentale marmeren kerstkribbe van Bruno Gerrits ingehuldigd.

Vanaf september 1939 zijn in het dorp soldaten gelegerd die een ijzeren anti-tankmuur oprichten, bunkers bouwen en loopgrachten graven: een verdedigingslinie loopt op 10 meter afstand van het Instituut. Vanaf de toren van het Sint-Elisabethgebouw houden twee schildwachten vliegtuigen in het oog. Ondanks de mobilisatie blijft het inschrijvingspeil hoog. De internationale ontwikkelingen voorspellen echter weinig goeds.