Sint-Ursula-Instituut

secundair onderwijs
ASO - BSO - TSO

 
U bevindt zich hier: Home > Kennismaking > Geschiedenis > Verdere expansie

Verdere expansie

In 1885 wordt begonnen met de aanleg van een buurtspoorweg (tramlijn) tussen Mechelen en Heist-op-den-Berg, via Onze-Lieve-Vrouw-Waver en Putte (ingehuldigd op zondag 26 juni 1887), waardoor een nog grotere bloei voor de school mogelijk gemaakt wordt.

Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van mère Ursule Verheyden als overste van het klooster, wordt haar in 1887 door de leerlingen de Lourdesgrot in het bos - gebouwd door het huis Blaton-Aubert uit Brussel - aangeboden. Het Mariabeeld wordt geschonken door Directeur Op de Beeck. Bij de inzegening op 13 april zijn meer dan 150 oud-leerlingen aanwezig. In de jaren die volgen wordt het park verder verrijkt met diverse constructies: de openluchtkerststal van Bethlehem en het Nazareth-huisje, beide in rotswerk uitgevoerd door de gebroeders Tondeleir uit Antwerpen; de mooie muziekkiosk, een geschenk van de Antwerpse aannemer Merckx, die voor het klooster werken had uitgevoerd ter gelegenheid van een eerste communie; de grote overdekte hall en een calvarie. In 1887 bouwt men ook nog een refter voor de zusters, een wasplaats, een bakkerij en - na september - een boerderij met werkplaatsen aan de noordkant van het complex.

In 1891, bij het 50-jarig jubileum van de oprichting van het klooster, zijn er op dat ogenblik 132 religieuzen, 102 leerlingen in de Normaalschool en 218 pensionaires.

In de periode 1884-1891 zijn de leerlingen van de normaalscholen - anders dan die van het pensionaat - vrij zelfstandig: er is geen systeem van beloning of straf, van goed- of afkeuring; er zijn geen deuren op slot, men maakt geen rangen; er is geen echt uniform, al draagt men in de week een grijs kleed en 's zondag een zwart kleed van eenvoudige snit; er is één uitgangsdag per trimester, want ook de zon- en feestdagen worden, buiten de godsdienstoefeningen, aan de studie besteed; de omgang met de leraressen is hartelijk. Deze beschikken overigens over een aparte leraarskamer.

In het pensionaat daarentegen is de tucht strenger; het gedrag van elke leerling wordt dagelijks beoordeeld en wie uitblinkt ontvangt een 'erelint'; dagelijks hebben de leerlingen twee uur studie; per maand is één bezoek of uitstapje toegelaten. De leerkrachten van het pensionaat en van de externaten hebben hun werkruimte in de bibliotheek.

Door de groei van klooster en schoolgemeenschap is verbouwen en moderniseren alweer noodzakelijk. De aanpassingen gebeuren in verschillende fasen:

  • Van maart 1892 tot juni 1893 wordt eerst de kloosterkapel vergroot: daarvoor worden de bestaande zijmuren doorbroken door onder de kerkramen bogen te kappen. Naast de gebouwen voegt men aan beide zijden constructies toe zodat de 2 zijbeuken gelijk met de kapelvloer op de verdieping komen te liggen en steunen op 2 open gaanderijen op het gelijkvloers. Deze werken gebeuren naar een ontwerp van de bekende Mechelse architect Meyns, die in 1889 in de Elzestraat in Sint-Katelijne-Waver de neogotische Sint-Augustinuskerk had gebouwd; bouwmeester Van Hoof achtte een dergelijk werk immers niet realiseerbaar.
  • Begin maart 1894 worden de plannen voor de andere verbouwingen door de commissie voor godsdienstige praalgebouwen goedgekeurd. De oude bakkerij, wasserij en stallingen worden afgebroken en rechtover en evenwijdig met het Heilig Hart-gebouw wordt - in het verlengde van het communauteitsgebouw uit 1867 - een nieuwe vleugel voor het pensionaat ingericht, met in de kelder een moderne badzaal aan de noordkant en een nieuwe bakkerij met annexen aan de zuidkant, en op het gelijkvloers een refter, een speelzaal en 2 klassen. De 1ste en 2de verdieping worden voorlopig niet gebruikt. Een nieuwe stal wordt een 20-tal meter verderop gebouwd. Haaks op het communauteitsgebouw richt men een nieuw dienstencomplex in met op het gelijkvloers een nieuwe wasserij, een naaiplaats en - langs de kant van de speelplaats van de Normaalschool - een ruime bibliotheek voor de leerkrachten-kloosterlingen. Op de 1ste verdieping bevindt zich een recreatiezaal voor de zusters en op de 2de verdieping een slaapzaal voor normalisten. Palend aan de bibliotheek worden verder ook een nieuwe keuken - met plat dak en glazen koepels - en 4 refters ingericht en dit rond de oude keuken die tot dienstruimte wordt omgevormd.

In 1896-1897 voorziet men de keuken van een voorplaats - met een heetwaterfornuis - en van 2 achterliggende plaatsen met cementen bakken rondom de muren voor de afwas en het spoelen van de groenten. Licht valt binnen door vierkante daklantaarns.

In 1897-1898 verhoogt men het ingangsgebouw met mansardedaken, om zo een nieuwe slaapzaal te kunnen inrichten. De meeste werken worden na het overlijden van Neel van Hoof (1897) uitgevoerd door de gebroeders Denis en Frans van Rompay.

Voor de geplande vergroting van de congregatiekapel dienen verschillende pianokamertjes te verdwijnen: men bouwt daarom een nieuwe muziekgalerij - een gebouw zonder verdieping met gebogen glazen dak, dwars op de Bosstraat, waarin een brede gang tussen twee lange rijen pianokamertjes - die in 1899 is afgewerkt. In 1900 wordt deze muziekgalerij verfraaid met een levensgroot beeld van de Heilige Cecilia in Carrara-marmer, een gezamenlijk geschenk van enkele nieuwgeprofesten en mère Cecile Koehler.

1898 is voor de scholen op verschillende vlakken een uiterst belangrijk jaar. Voor katholieke scholen was de froebelmethode lange tijd taboe. In deze houding komt in de loop der jaren 1890 stilaan verandering: onder het katholiek bewind wordt het in 1898 opnieuw mogelijk om via examens bekwaamheidscertificaten en diploma's voor het kleuteronderwijs te behalen. In het Instituut wordt op deze tendens onmiddellijk ingespeeld door de oprichting van een erkende froebelnormaalschool onder leiding van mère Cyrille Peeters, met een studieduur van één jaar. Zeven religieuzen en 3 juffrouwen zijn de eerste leerlingen. Ze leggen op het einde van het jaar examen af voor een jury en slagen alle 10. Toch was de beginperiode omwille van het gebrek aan plaats, het gebrek aan speciaal hiervoor opgeleid personeel en het ontbreken van aangepaste handboeken niet gemakkelijk.

Tijdens de vakantie van 1898 was men eveneens begonnen met de bouw van een nieuwe Bewaarschool - bedoeld als oefenschool - voor de kinderen van de parochie die tot dan slechts in een weinig aangepast gemeentelokaal naast de kerk terecht konden. Dit nieuwe gebouw - gelegen op een stuk grond, achter de Gemeentelijke Meisjesschool in de Bosstraat, dat daarvoor op 8 april 1897 door het klooster van het gemeentebestuur werd gekocht - is klaar rond Pasen 1898 en wordt in 2 klassen volgens de froebelmethode ingericht. De 3de klas is - tijdelijk - een gemengde lagere Iste graad-klas.

Eveneens vanaf 1898 worden door het Ministerie van Arbeid en Nijverheid de tijdelijke staatsleergangen voor huishoudonderwijs ingericht die vanaf dat ogenblik - en dit tot in 1934, dus nog na het tot stand komen van het regelmatig dagonderwijs in 1925 - steeds in het Instituut zullen worden gegeven. Wellicht ook met het oog hierop wordt één van de bijgebouwen van de Meisjesschool en Bewaarschool, met name het pomphuis, vergroot en tot een huishoudklas ingericht. Daar wordt in de winter aan volwassen meisjes naai- en kniples gegeven.

In oktober 1899 treedt een reglement uit 1896 voor het normaalonderwijs in werking, zodat de studieduur tot 4 jaar verlengd wordt. Een aangroei van het leerlingenaantallen is hierdoor te verwachten en daar elk studiejaar een Nederlandse en een Franse afdeling telt heeft men nu 8 klaslokalen nodig. Er zijn vanaf oktober 1898 eveneens nieuwe richtlijnen van kracht om religieuzen en leken in normaalscholen zoveel mogelijk van elkaar te scheiden, zowel in refters en slaapzalen als in klassen en kapel. Dit alles ligt aan de basis van een nieuwe reeks verbouwingen en uitbreidingen.

Onder impuls van de econome mère Ignace Claes wordt eerst een nieuw normaalschoolgebouw - van 68 op 16 m - onder leiding van Denis Van Rompay opgericht. Daarvoor wordt de vleugel uit 1882 gesloopt. De eerste steenlegging vindt ook nu weer plaats op 1 maart, ter ere van Sint-Jozef, patroon van de Normaalschool. Bij de voltooiing van het gebouw - vermoedelijk pas op 10 mei 1900 - beschikt men over een ruime speelzaal op het gelijkvloers, een groot studielokaal en fraaie klassen op de 1ste verdieping en slaapzalen op de 2de en 3de verdieping.

In 1900 - en niet in 1903-1904 zoals men tot nog toe aannam - bouwt men de fraaie wintertuin: een gezellige ontvangstruimte voor de ouders, opgetrokken in ijzer en glas, met brede waaiervormige palmbomen en bebloemde rotspartijen. In de jaren die volgen kunnen - na de voltooiing van de nieuwe pianogalerij - de oude pianokamers wegvallen en kan men op het gelijkvloers de kapel van de Congregatie vergroten en in neogotische stijl aankleden. Op de verdieping wordt het logies voor de oud-leerlingen ingericht.

De uitbreidingswerken gaan daarna in verschillende richtingen snel vooruit:

  • achter de nieuwe turnzaal aan de noordwestkant van het domein, die na de voltooiing van het normaalschoolgebouw op de plaats van de vroegere schuur en het timmermanswerkhuis was gezet, bouwt men een nieuw complex - de kern van het Sint-Michielsgebouw - met op het gelijkvloers een stal, melkerij, wasserij, stoomstrijkplaats en brouwerij
  • de oude was- en strijkplaats in de communauteitsvleugel achter de keuken wordt omgevormd tot klassen en keukens voor het huishoudkundig onderwijs. Dit gebouw wordt verder met twee verdiepingen opgetrokken zodat men een recreatiezaal voor de kleintjes, een grote linnenzaal en cellen voor de zusters kan inrichten

Om aan de noodwendigheden van de tijd te beantwoorden wordt vanaf 1905-1906 een Vrije Meisjes Vakschool aan het pensionaat verbonden, met afzonderlijke afdelingen voor huishoudelijk en voor handels- en beroepsonderwijs.

Door de groei van het Instituut is de kloosterkapel opnieuw te klein geworden. Vanaf 1907 is men dan ook bezig met het ontwerp voor een nieuwe, neogotische kloosterkerk, naar plannen van provinciaal architect Edward Careels uit Lier - die ook de dorpskerk, het raadshuis en de pastorie zal verbouwen. De uitvoering wordt aan aannemer Van Pottelberg & zonen uit Aalst toevertrouwd.

Op 21 juni 1909 vindt de eerste steenlegging plaats en op 10 november de zegening van de eerste steen. Op 21 oktober 1910 staat de kerk reeds onder dak en op de naamdag van de Heilige Ursula wordt dan ook aan het werkvolk en andere genodigden, betrokken bij de kerkbouw, een feest aangeboden.

Dit project staat niet op zichzelf. Tegelijkertijd is men immers ook begonnen met de bouw van gaanderijen die de verschillende gebouwen met de kerk moeten verbinden en met de verfraaiing van de twee gebouwen die op de tuin uitgeven. De glazen hall aan de Normaalschool en de turnzaal dienen te verdwijnen. Aan het Sint-Michielsgebouw voegt men daarom een verdieping met 2 turnzalen en een slaapzaal toe. Van al deze verbouwingen maakt men gebruik om elektrische verlichting aan te brengen.

Op een nieuw aangekocht stuk grond - achter de beemd - komen een nieuwe schrijnwerkerij, een slachterij, een schuur en bergplaatsen. Boven de schrijnwerkerij komt een schilderklas, met daarachter een wol-, koffer- en rommelzolder. Op de Waverse tuinbouwdeskundige Felix Brouwers wordt beroep gedaan om ook het park - in 1864 voor het eerst aangelegd - te verbeteren en te verfraaien. Zijn plannen voorzien een Engelse tuin en een 2de vijver met een rustiek bruggetje. Men bouwt ook de muur rond het domein, die dit park en het bosje insluit. Het domein zelf wordt door drie opeenvolgende aankopen van grond in de Bruultjenshoek opnieuw met een 139 are vergroot.

In de zomer van 1911 wordt een groot feest ingericht met een picknick, vuurwerk en verlichting van de Lourdesgrot en kiosk, dit naar aanleiding van de inhuldiging op 29 juni van de Sint-Pieterskapel, gebouwd op een pas verworven perceel grond (Sporkenbos), met een koepel in pauselijke tiara-vorm: een gift van al wie aan de bouw van de kloosterkerk meewerkte. De kerk zelf nadert ondertussen de voltooiing. Begin februari 1912 wordt ze ingezegend en worden de klokken Bernarda-Ursula, Francisca-Augustina en Maria-Angela gedoopt. Op 27 juni 1912 vindt de plechtige inwijding door kardinaal Mercier plaats. Het orgel, gebouwd door Georges Cloetens, zal pas op 15 januari 1914 ingespeeld worden.

In oktober 1912 telt het Instituut niet minder dan 700 pensionaires, normalisten en regentessen in spe, waaronder 53 religieuzen. Het is dan ook normaal dat de uitbouw van de infrastructuur de nodige aandacht vraagt temeer omdat na een lange voorbereiding in 1912 ook gestart wordt met een 6de Latijnse klas waaraan men in 1913 een 5de klas toevoegt. Hiermee werd de basis gelegd voor de Grieks-Latijnse afdeling.

De wet van 19 mei 1914 op de Algemene Leerplicht tot 14 jaar, met wettelijke invoering van de 4de graad, maakt uitbreiding van de gebouwen van de Lagere Meisjesschool noodzakelijk: door bouwmeester Wilmsen uit Duffel wordt een plan opgemaakt dat door het gemeentebestuur wordt goedgekeurd. Het uitbreken van de oorlog maakt dat het tot in 1923 zal duren voor men aan de verbouwing begint.