GESCHIEDENIS
1841
1843
1845
1851
1853
1861
VROEGE GESCHIEDENIS (1841 - 1861)
Op 22 april 1841 arriveren de eerste Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver.
Acht zusters komen over vanuit Tildonk, met mère Cunère Van Iersel als eerste
overste. Ze worden door de Waverse bevolking bijzonder hartelijk onthaald.
Al op 7 mei 1841 meldt zich de eerste internaatleerlinge aan: Catharina Goossens uit Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Tegen het einde van dat jaar telt de kostschool al acht leerlingen.
Hoewel de Ursulinenorde oorspronkelijk was gericht op het onderwijs aan arme meisjes, richtte de Tildonkse tak systematisch ook kostscholen op. Die brachten inkomsten op waarmee het gratis onderwijs — de zogenoemde externaten — kon worden uitgebouwd. Daaronder vielen lagere scholen, zondagsscholen, froebelscholen en huishoudscholen. Het was een vroege vorm van interne subsidiëring.
Bijna gelijktijdig, op 17 mei 1841, werd ook de kosteloze Vrije Lagere School voor meisjes opgericht.De school was aanvankelijk voorzien voor twee klassen, maar al in 1843 bleek een derde klas nodig. Op 2 september 1844 keurde het gemeentebestuur de erkenning van deze vrije meisjesschool goed. Toch duurde het nog tot 1878 voor de gemeente besliste om met eigen middelen een nieuw schoolgebouw met drie klassen op te richten, naar plannen van provinciaal bouwmeester L. Blomme.
Een kleine maand na de aankomst van de zusters, op 7 juni 1841, werd ook een zondagsschool opgericht. Onder leiding van mère Odrade Simons en pastoor Verheyden schreven zich meer dan honderd meisjes in, afkomstig uit de wijde omgeving. Naast catechismus en een geestelijk woord van de priester leerden de leerlingen liedjes en speelden ze toneel. Wie dat wenste, kon bovendien Franse les volgen. De zondagsschool bleef bestaan tot 21 november 1873, toen ze opging in de Congregatie der Heilige Familie, opgericht door pastoor Van den Broeck.
In 1843 werd de kloostertuin met een muur omheind. Een jaar later werd het kloostergebouw met een verdieping van veertien voet verhoogd. Onder een van de klaslokalen werd toen ook de eerste grafkelder aangelegd. Het klooster- en pensionaatsleven weerspiegelde immers het gewone leven: sterfgevallen kwamen regelmatig voor, ook onder jonge zusters en pensionaires.
Omwille van vochtproblemen werden in 1845 de buitenmuren bepleisterd en werd een speelplaats aangelegd. Intussen groeide het aantal leerlingen gestaag: in 1846 waren er al 21 internen. De nood aan uitbreiding werd steeds groter, maar door beperkte middelen moesten ingrijpende verbouwingen wachten tot 1849.Toen werden eerst de fundamenten gelegd voor een nieuwe noordervleugel, die begin 1850 voltooid was.
In 1851 werd het oude kloosterhuisje afgebroken en in 1853 volgde de bouw van de zuidervleugel. Het klooster kreeg daarmee zijn kenmerkende vorm: twee zijvleugels die naar voren springen en een muur langs de straat die de ruime speelplaats afsluit.In de zuidvleugel bevond zich het parloir of de spreekkamer, met daarboven twee logeerkamers met zicht op de straat en een appartement voor de geestelijke directeur.
Boven de refter en de naaiplaats lagen de klaslokalen voor de pensionaires. Op de
tweede verdieping bevond zich de slaapzaal van de leerlingen. Elke leerlinge had er
een eigen linnenkast en toegang tot een grote centrale lavabo.
De noordvleugel huisvestte op het gelijkvloers de keuken. Daarboven lag de kamer van
de overste, met een antichambre die dienstdeed als bibliotheek, en een naaiplaats voor
de zusters, die ook gebruikt werd voor pianolessen. Op de eerste verdieping liep een
lange gang langs de noordzijde, met toegang tot de gemeenschapszaal, het noviciaat,
de slaapzaal van de novicen en twee cellen. Naast de trap bevond zich een ziekenzaal.
Op de tweede verdieping lagen de kapel met sacristie en nog vier cellen, met een gang
in het midden. Verder beschikte het gebouw over degelijke kelders en zolders. Om het
religieuze leven verder te verdiepen werd in 1853, toen het pensionaat al 73 leerlingen
telde, de Congregatie van Maria Onbevlekt Ontvangen opgericht. Alleen meisjes met
een uitzonderlijke godsvrucht werden toegelaten. Het kwam geregeld voor dat
buitenlandse leerlingen of meisjes met een niet-religieuze achtergrond zich tot het
rooms-katholicisme bekeerden. Deze doopvieringen maakten telkens diepe indruk.
Tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog traden zo ongeveer 3.000 meisjes toe tot de congregatie.
Een volgende belangrijke stap in de uitbouw van het volksonderwijs volgde in 1861 met de oprichting van een bewaarschool, of kleuterschool, onder leiding van mère M. Odile Geens. De school beschikte over een volledige set froebelgaven en gold als een modelschool. Op een gradin stonden banken en tafeltjes waarop de kleuters spelenderwijs leerden. Naar huidige maatstaven — en dat bleef zo tot ver in de twintigste eeuw — waren deze klassen echter sterk overbevolkt.Kort daarna diende zich opnieuw een uitbreiding aan. Het pensionaat telde inmiddels 140 leerlingen, van wie ongeveer de helft de Duitse nationaliteit had. Om het religieuze leven van zowel de pensionaires als de kloostergemeenschap te ondersteunen, werd beslist een nieuwe kapel te bouwen boven de speelzaal, tussen de twee vleugels.De eerste steen werd gelegd op 12 mei 1862, in aanwezigheid van pastoor Lambertz, monseigneur Lauwers en een veertigtal priesters. De bouw stond onder leiding van meester-metselaar Cornelis (Neel) van Hoof.




GROEI EN UITBREIDING (1870's)
1870
Ondanks het verlies van een groot aantal Duitse leerlingen door het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870, blijft het leerlingenaantal stijgen: in 1871 zijn er 32 normalisten ingeschreven en 170 pensionaires. Opnieuw wordt uitbreiding van de gebouwen noodzakelijk. Men koopt grond aan en begint in 1872 een nieuwe zuidvleugel te bouwen, rechtover de communauteitsvleugel uit 1869, met een dubbele rij klassen en een grote ontspanningszaal op het gelijkvloers, klassen en een studiezaal op de 1ste verdieping en een slaapzaal met 96 bedden in 3 rijen en één lange wastafel met 48 plaatsen aan weerszijden op de 2de.
Door deze uitbreiding wordt het mogelijk 3 nieuwe secties in het pensionaat in te voeren die totaal van elkaar gescheiden zijn, zowel tijdens de klasuren als voor de recreaties en de maaltijden: een Voorbereidende Afdeling (section préparatoire) voor kinderen die hun eerste communie nog niet deden; een Lagere Afdeling of '2de sectie', met een 8ste en 7de klas voor leerlingen boven de 11 jaar die de lagere school nog niet voltooiden of de Franse taal nog niet voldoende beheersten en een Middelbare Afdeling of 'Ie sectie', verdeeld in 6 klassen, voor hen die gewoon middelbaar onderwijs konden volgen.
De 4de klas is tegelijk ook bedoeld als voorbereidend op de normaalschool. In deze afdeling wordt in elke klas aandacht besteed aan naaldwerk en huishoudelijk werk. In april 1873 verwerft men nieuwe gronden ten noordwesten, met Veke's hoef en het bosje ten noordoosten dat men tot wandelbos voor de leerlingen inricht. Het domein wordt daardoor van 2,5 op 8,5 hectare gebracht.
In 1875 wordt op de Waverse Normaalschool het gymnastiekonderwijs ingevoerd, toen een grote nieuwigheid. Mère Félicité Vervloet had namelijk het jaar voordien met grote onderscheiding de cursus gymnastiek van Kapitein G. Docx - één van de drie leden van de ministeriële onderzoekscommissie die in 1872, na een buitenlandse missie, aanbevelingen in verband met de lichamelijke opvoeding formuleerde - aan de Nijvelse Normaalschool beëindigd en bracht haar opgedane kennis met succes in toepassing.
